Producten

Producten

Herbicide Capreno®

Toepassingsvoorwaarden

Driftreducerende maatregelen
Om in het water levende organismen te beschermen is toepassing uitsluitend toegestaan wanneer in perceelstroken die grenzen aan oppervlaktewater in de eerste 14 m vanaf de insteek van de sloot gebruik wordt gemaakt van minimaal 75% driftreducerende spuitdoppen.

Om niet tot de doelsoorten behorende terrestrische planten te beschermen is toepassing uitsluitend toegestaan wanneer in perceelstroken die niet grenzen aan oppervlaktewater in de eerste 14 m van het gewas, gemeten vanaf het midden van de laatste gewasrij of de laatste plant in de rij, gebruik wordt gemaakt van:

  • minimaal 75% driftreducerende spuitdoppen met einddoppen, of
  • minimaal 50% driftreducerende spuitdoppen in combinatie met luchtondersteuning.
Om het grondwater te beschermen mag dit product niet worden gebruikt in grondwaterbeschermingsgebieden.

Capreno bevat de werkzame stoffen tembotrione en thiencarbazone-methyl. Tembotrione behoort tot de triketone groep. De HRAC code is F2. Thiencarbazone-methyl behoort tot de sulfonyl-amino-carbonyl-triazolinone. De HRAC code is B. Bij dit product bestaat er kans op resistentieontwikkeling. In het kader van resistentiemanagement dient u de adviezen op te volgen die gegeven worden in de voorlichtingsboodschappen.

 

Vervanggewassen

Bij het mislukken van de teelt kan alleen 1 maand na toepassing na een kerende grondbewerking van 20 cm diep opnieuw maïs worden gezaaid.

 

Volggewassen

Na de teelt van maïs, behandeld met Capreno, zijn in het kader van een normale vruchtopvolging de volgende teelten mogelijk (na een intensieve grondbewerking van minimaal 20 cm diep, bijv. ploegen of roterend spitten): winter- en zomertarwe, zomergerst, droog te oogsten erwten, droog te oogsten bonen, bieten, winterkoolzaad, sojaboon, zonnebloem en maïs.
Na toepassing van Capreno kan kort na de toepassing onder minder gunstige weersomstandigheden een tijdelijke gewasreactie optreden. Dit heeft geen gevolgen voor de eindopbrengst.
Overige bijzonderheden
Voorkomen emissie
Om emissie naar grond- en oppervlaktewater te voorkomen, adviseert Bayer Crop Science om machines waarmee gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast overdekt te stallen en te reinigen op een was- en spoelplaats met een opvangmogelijkheid voor verontreinigde vloeistoffen. Verwerk was- en spoelwater en eventuele restvloeistoffen die niet over het laatst bespoten perceel kunnen worden uitgereden in een Phytobac® (of gelijkwaardige methode) om onnodige milieubelasting te voorkomen.
Veiligheidsaanbevelingen bij herbetreding
Na een gewasbehandeling uitsluitend herbetreden nadat de spuitvloeistof is opgedroogd. Werkzaamheden kunnen vervolgens worden uitgevoerd zonder gebruik van beschermende maatregelen
H&P zinnen
Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor de menselijke gezondheid en het milieu te voorkomen.
H317:
Kan een allergische huidreactie veroorzaken.
H361d:
Wordt ervan verdacht het ongeboren kind te schaden.
H373:
Kan schade aan organen veroorzaken bij langdurige of herhaalde blootstelling.
H410:
Zeer giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen.
P260:
Stof/ rook/ gas/ nevel/ damp/ spuitnevel niet inademen
P280:

Draag beschermende handschoenen/ beschermende kleding/ oogbescherming/ gelaatsbescherming.

P302+P352:
BIJ CONTACT MET DE HUID: met veel water en zeep wassen.
P314:
Bij onwel voelen een arts raadplegen.
P333+P313:
Bij huidirritatie of uitslag: een arts raadplegen.
P391:
Gelekte/gemorste stof opruimen
P501:
Inhoud/verpakking afvoeren naar inzamel punt voor gevaarlijk of bijzonder afval. Zie AgriRecover
Zorg ervoor dat u met het product of zijn verpakking geen water verontreinigt.