In de rubriek Jong & Ondernemend van de Akkerbouw Koerier laten we jonge ondernemers in de land- en tuinbouw aan het woord. Hoe runnen zij hun bedrijf? Welke kansen en bedreigingen zien ze binnen hun vakgebied? En vooral: hoe zien zij de toekomst tegemoet? In deze aflevering: Angelo Bakker uit Borgercompagnie (Gr.)
,,Met de luiers nog aan wist ik eigenlijk al dat ik akkerbouwer wilde worden’’, zegt Angelo Bakker (20) uit Borgercompagnie (Gr.). Samen met zijn ouders Henk en Harriëtte runt hij een 250 hectare groot akkerbouwbedrijf. Met een aandeel van 50 procent spelen zetmeelaardappelen de hoofdrol in het bouwplan. Hoewel nieuwe teelten als consumptie-aardappelen en uien soms lonken, houdt de maatschap voorlopig vast aan de ‘fabriekers’. ,,Met zetmeelaardappelen heb je vastigheid en stabiliteit; dat past ons voorlopig het beste.’’

Angelo Bakker heeft samen met zijn ouders Henk en Harriëtte een akkerbouwbedrijf in Borgercompagnie (Gr.). Op ca. 250 hectare worden zetmeelaardappelen (BMC, Festien, Avelina), suikerbieten, gerst en snijmaïs geteeld.
Wanneer wist je dat je akkerbouwer wilde worden?
,,Tja, hoe oud moet je zijn om dat te weten? Ik denk dat ik de luiers nog aan had; toen wist ik al dat ik akkerbouwer wilde worden! Op m’n tiende reed ik al op de trekker en daarna heb ik bijna alle soorten werk op ons bedrijf opgepakt. Een landbouwopleiding – richting Akkerbouw, niveau 4 in Groningen – was dus min of meer vanzelfsprekend. En mijn drie stages waren ook allemaal op de akkerbouw gericht. Nee, iets anders gaan doen is nooit in me opgekomen. Dit is helemaal wat ik altijd gewild heb.’’
Je zit nu vier jaar in maatschap met je ouders. Hoe zijn die jaren verlopen?
,,Eigenlijk heel natuurlijk en soepel. Ik krijg alle vrijheid om mijn plannen en ideeën naar voren te schuiven en daarover hebben we bijna nooit onenigheid. Daarbij helpt het dat mijn vader en ik over veel zaken hetzelfde denken. We zijn allebei geen grote avonturiers en gaan voor een stabiele bedrijfsvoering. Wat dat betreft hebben we een heel authentiek akkerbouwbedrijf zonder poespas.
Een echte rolverdeling binnen het bedrijf hebben we niet, al pak ik net iets meer het zaaien, poten en rooien op. Mijn pa is iets meer van de organisatie eromheen. Het enige wat ik nooit doe is ploegen, want dat vindt mijn vader prachtig werk.’’
Wat is er veranderd sinds je in het bedrijf zit?
,,Geen hele grote dingen, al zijn er wel wat nieuwe machines bijgekomen om slagvaardiger te kunnen werken. Zo hebben we 2024 een nieuwe pootmachine gekocht, een getrokken hydraulisch aangedreven 4-rijer met aanaardkooien. Daarmee sparen we niet alleen een extra werkgang – het aanaarden – uit, maar kunnen we door de grote bakinhoud van 3,5 ton nu ook in één keer heen en weer komen op onze huispercelen. Die zijn namelijk 1600 meter lang, ofwel ruim drie kilometer heen en terug.
Verder hebben we afgelopen jaar ook een nieuwe ploeg gekocht, een vijfschaar met FlexPack. Voorheen hebben we onze percelen vooral gespit, maar daarmee zagen we de onkruiddruk steeds verder toenemen. Met een kerende grondbewerking stop je de onkruiden toch wat beter weg, zo is onze ervaring. Zeker voorafgaand aan de aardappelen vinden we het belangrijk om schoon te beginnen.’’
‘Bieten rooien met onze eigen Rootster-bietenrooier, dat is écht wel mooi werk!’
Waar wil je de komende jaren met het bedrijf naar toe?
,,Voorlopig is het goed zoals het nu is. Met 50 procent zetmeelaardappelen in ons bouwplan – BMC, Festien en Avelina; alles voor Avebe – boeren we al behoorlijk intensief. Meer rooivruchten is dus lastig. Bovendien hechten we waarde aan onze relatie met Avebe; die biedt stabiliteit en vastigheid en dat vinden we prettig. Natuurlijk hebben we de afgelopen jaren de hoge prijzen voor fritesaardappelen en uien voorbij zien komen, maar dat heeft ons er nog niet toe verleid om ons bouwplan anders in te vullen.
Alhoewel… Afgelopen jaar hebben we toch wel serieus overwogen om met uien te beginnen. Maar we hebben het uiteindelijk niet gedaan vanwege de onzekere marktvooruitzichten en de arbeid die ermee gemoeid is. Nu kunnen we het werk met z’n tweeën goed behappen; met uien in het bouwplan is het de vraag of we op cruciale momenten voldoende tijd en aandacht hebben voor dit gewas. Qua teeltkennis zou ik het wel aandurven; bij mijn stageadressen teelden ze ook uien, dus helemaal nieuw is het niet voor mij. En ook de opslag van de uien zou hier geen probleem moeten zijn. Met wat aanpassingen in een van onze opslagloodsen zou dat goed moeten kunnen.
Als we de kans daarvoor krijgen zou ik eventueel nog wel wat willen groeien in areaal. Maar nogmaals: het moet wel behapbaar blijven met z’n tweeën. Tot nu toe kunnen we het werk zonder al te veel stress aan en dat willen we graag zou houden.’’
Wat zie je als grootste uitdagingen - of zorg – voor de komende jaren?
,,Ik ben niet iemand die zich gauw zorgen maakt, maar als ik iets moet noemen dan is het de wispelturige politiek. Ik hou van duidelijkheid en weten waar je aan toe bent, maar dat is de laatste jaren heel ver te zoeken in Den Haag. Soms vraag ik me echt af: willen ze wel boeren houden in Nederland? Nu lijkt het soms of ze alle boeren uit willen roken.
Een ander punt is het wegvallen van gewasbeschermingsmiddelen. Hoewel dat binnen ons bouwplan nog niet tot kritieke situatie leidt, zie ik wel dat het steeds moeilijk wordt. Dit jaar mag je bijvoorbeeld geen Sencor en Arcade meer gebruiken in de aardappelen. Zeker in onkruidrijke gebieden zoals bij ons is dat toch een flinke aderlating. Ook de discussie rondom middelen met PFAS vind ik zorgelijk. Kunnen we deze middelen - waaronder bijvoorbeeld Propulse in bieten een aardappelen - wel behouden? Ik ben daar alles behalve gerust op…’’
Hoe zie je de toekomst tegemoet? Ben je over tien jaar nog akkerbouwer?
,,Ondank de hiervoor genoemde zorgen zie ik de toekomst positief in. In dit gebied kun je van oudsher goed boeren en is er over de jaren heen een goede boterham te verdienen. Bovendien zijn de mensen hier nog redelijk ‘landbouw-minded’, waardoor we er maatschappelijk gezien ook mogen zijn.
Dus ja, over tien jaar ben ik zeker nog akkerbouwer. Hopelijk ook nog samen met mijn ouders en hopelijk ook met dezelfde tevredenheid als nu.’’
Wat vind je het mooiste aan je vak?
,,Vooral de vrijheid om je eigen plannen en ideeën uit te voeren. Qua werk vind ik eigenlijk alles wel leuk. Maar als ik dan toch iets moet kiezen: bieten rooien met onze eigen Rootster-bietenrooier, dat is écht wel mooi werk!’’
Tot slot: welk advies zou je startende collega’s mee willen geven?
,,Dan zou ik zeggen: doe vooral iets wat je écht leuk vindt. Want dat hou je vol, ook in tijden dat het allemaal wat moelijker gaat. En ook belangrijk: bespreek zoveel mogelijk zaken aan de keukentafel. En dan niet alleen de zorgen of moeilijkheden, maar ook de passie voor het vak. Daardoor blijf je positief. Verder vind ik dat er méér is dan alleen het bedrijf. Mijn vader zegt altijd: ‘Hou ook een beetje tijd over voor gezelligheid’. Daar ben ik het helemaal mee eens.’’