Mais Koerier header

"Steeds vaker twee keer spuiten om grassen onder controle te houden"


,,Gladvingergras zit hier in bijna alle maïspercelen en de gierstgrassen rukken elk jaar verder op. We moeten daarom steeds vaker twee keer spuiten om deze grassen onder controle te houden.’’ Dat zegt Jos Goselink van loonbedrijf Pelle in Hengevelde (Ov.). Een (extra) vooropkomst bespuiting en een tijdige hoofdbespuiting kan volgens hem veel ellende voorkomen. Daarnaast verwacht hij ook wat ‘hulp’ van een verplicht rustgewas, met name op percelen waar jaren achtereen maïs is geteeld.



Jos Goselink en Paul Hannink 2.jpg

Jos Goselink (links) is medewerker bij loonbedrijf Pelle in Hengevelde (Ov.). Binnen het bedrijf is hij onder meer verantwoordelijk voor de onkruidbestrijding in maïs en grasland. Paul Hannink (rechts) is accountmanager loonwerk bij ForFarmers.



,,Noem me maar gewoon medewerker’’, zegt Jos Goselink wanneer hem naar zijn functie binnen het loonbedrijf Pelle wordt gevraagd. Het is een behoorlijk bescheiden antwoord voor iemand die al 39 jaar bij het bedrijf werkt en tal van uitvoerende en ‘regelende’ werkzaamheden voor zijn rekening neemt. Maar het is wél hoe hij zichzelf ziet. ,,Er werken hier 22 mensen die allemaal passie voor het werk hebben en hun best doen. Ik ben er daar gewoon één van. Niks meer en niks minder.’’


Eén van de werkzaamheden die Goselink al vele jaren op zich neemt is de onkruidbestrijding. Omdat de klantenkring

hoofdzakelijk uit veehouders bestaat, draait het in de praktijk vooral om de onkruidbestrijding in maïs en op grasland.

Daarvoor heeft het bedrijf een Agrifac zelfrijder van 33 meter ter beschikking.

In de praktijk bemoeien de klanten zich vrij weinig met de uitvoering van het spuitwerk. ,,De meesten laten het

spuitwerk en de middelenkeuze helemaal aan ons over en vertrouwen erop dat het goed komt. Dat brengt de nodige

verantwoordelijkheden met zich mee, maar geeft ook veel vrijheid. Omdat ik door de jaren heen de meeste percelen

wel ken, weet ik redelijk goed waar de problemen zitten. Daardoor kun je gerichter spuiten - en dat levert weer plezier op wanneer je ziet dat het een jaar later beter is geworden. Je mag dus wel zeggen dat het spuitwerk een soort hobby van me is.’’


Jos Goselink vertelt jaarlijks zo’n 600 hectare maïs te spuiten. De grootste uitdaging daarbij is de bestrijding van gladvingergras en gierstgrassen. ,,Gladvingergras is hier al meer dan tien jaar hét grote probleemonkruid. Op zeker 80 procent van alle percelen vinden we het volop. En op percelen waar vele jaren achtereen maïs is geteeld zit het echt overal.’’ De gierstgrassen zijn van recentere datum, maar rukken wel steeds verder op. ,,Ik denk dat op zeker een derde van alle percelen hier in de omgeving gierstgrassen te vinden zijn, al blijft dat een beetje gissen want deze grassen zijn als jong plantje lastig te onderscheiden van gladvingergras.’’




Jos Goselink en Paul Hannink.jpg



Volgens Paul Hannink van Forfarmers, die ook bij het gesprek aanwezig is, zijn gierstgrassen te herkennen aan de lichte beharing op het blad en de stengel. Gladvingergras heeft dat niet. Verder worden de planten veel groter en langer dan gladvingergras, iets dat eigenlijk alleen direct na de maïsoogst te zien is. De accountmanager zag de afgelopen jaren vooral een sterke uitbreiding op percelen waar continu maïs geteeld wordt. Een zorgelijke ontwikkeling, zo vindt hij, al zou de in 2023 ingevoerde rustgewas-verplichting (waarin een keer per vier jaar een rustgewas - geen maïs - geteeld moet worden, red.) hier wel eens een rem op kunnen zetten.

,,De meeste veehouders kiezen grasland als rustgewas. Met het tamelijk intensieve maaibeleid wat velen aanhouden en de sterke concurrentie van Engels raaigras zou dat wel eens tot meer uitputting en verdrijving van gierstgrassen kunnen leiden’’, zo hoopt hij.

Belangrijk knelpunt blijft dat weinig boeren gierstgrassen herkennen. ,,In mei zijn de gierstgrassen vaak nog zo klein dat je ze niet ziet en tegen de tijd dat de maïs gehakseld wordt zijn veel planten alweer aan het afsterven of helemaal dood. Dat helpt niet mee om het probleem te herkennen en te erkennen.’’





GLADVINGERGRAS IS HIER AL MEER DAN TIEN JAAR HÉT GROTE PROBLEEMONKRUID





‘Voor-opkomst steeds noodzakelijker’


Om gladvingergras en gierstgrassen de baas te blijven, wordt de onkruidbestrijding een steeds uitdagendere klus, zo merkt Goselink. ,,Naast de gangbare na-opkomstbespuiting adviseren we daarom steeds vaker ook een aparte voor-opkomstbespuiting. Daarmee bereik je niet alleen een betere bestrijding in het teeltjaar, maar voorkom je ook verdere uitbreiding in de jaren daarna’’, zo weet hij uit ervaring.

Hoewel inmiddels zo’n 30 procent van zijn klanten zo’n extra voor-opkomstbespuiting laat uitvoeren, zou dit volgens de loonspuiter eigenlijk nog wat verder moeten groeien om controle te houden over de probleemgrassen. Maar dat blijft lastig. ,,Voor veel maïstelers blijft zo’n extra bespuiting van pakweg €60 tot €70 per hectare toch een hobbel. We moeten er echt moeite voor doen om het voordeel daarvan uit te leggen.’’

Volgens Hannink is een maximale bestrijding van probleemgrassen altijd rendabel. ,,Op percelen met veel gladvingergras en gierstgrassen lever je al gauw 10 tot 15 procent aan opbrengst in. Bij een hectare-opbrengst van 50 tot 60 ton is dat dus minimaal 5 tot 6 ton maïs. De waarde daarvan is aanzienlijk groter dan de €60 tot €70 voor een extra vooropkomstbespuiting.’’



Capreno in de basis


Bij de na-opkomst/hoofdbespuiting past Goselink een redelijk vaste mix van middelen toe. De basis daarvoor is vrijwel altijd 0,2 l/ha Capreno. ,,Daar hebben we al jaren goede ervaringen mee. Het pakt een brede range aan onkruiden heel goed aan en is ook sterk op de eerder genoemde probleemgrassen’’, zo vindt de loonspuiter. Hannink noemt als alternatief het middel Laudis (2,0 l/ha), wat min of meer vergelijkbare resultaten geeft. ,,Beide middelen passen prima in dit gebied, zo hebben we afgelopen jaren ervaren. Loonbedrijven kiezen vrijwel altijd voor één van deze twee.’’

Als aanvullingen op Capreno (of Laudis) worden meestal Frontier® optima (voor bodemwerking), Kart® (als versterking tegen veelknopigen) en Milagro® (aanvullend tegen kweek en raaigrassen) bijgevoegd.



Vroeg spuiten, maar niet té vroeg…


Als optimale spuittijdstip houdt Goselink het 3- tot 4-bladstadium van de maïs aan - met als globale eindpunt het

6-bladstadium. Volgens Hannink kan dit eventueel nog iets naar voren geschoven worden, naar het 2- tot 3-bladstadium. ,,Daardoor pak je nog meer jong onkruid mee en is de bestrijding doorgaans nog iets beter’’, zo stelt hij. Beide mannen zien echter ook het risico van té vroeg spuiten, waardoor de periode tussen spuiten en een dicht gewas net iets te groot kan worden, waardoor nakiemers meer kansen krijgen. ,,Met de huidige tendens van steeds vroegere rassen en steeds vroeger zaaien, kan het sowieso al langer duren voordat het gewas gesloten is, zo hebben we de afgelopen jaren regelmatig gemerkt. Vooruitkijken en een goede timing zijn daarom steeds belangrijker geworden voor een goed spuitresultaat’’, zo besluit Goselink.



Frontier® optima is een geregistreerd handelsmerk van BASF

Kart® is een geregistreerd handelsmerk van Corteva Agriscience

Milagro® is een geregistreerd handelsmerk van Syngenta