Mais Koerier header

Voerrobot brengt rust en vrijheid


Rust aan het voerhek en een flinke tijdsbesparing. Dat waren voor Gijs Winters in Breedenbroek (Gld.)

de belangrijkste redenen om - met steun uit het Economisch Herstel Fonds (EHF) - in een voerrobot te

investeren. Sinds begin 2025 draait de voerrobot dagelijks zijn rondjes langs de 130 Jersey-koeien. ,,Negen

keer per dag komt hij langs het hek en verspreidt het voer netjes voor de koeien. Dat scheelt me minimaal

een uur per dag aan werk’’, zo vertelt de melkveehouder.

Omdat de robot nauwkeuriger voert dan de blokkenwagen (die voorheen werd gebruikt), waren er

aanvankelijk wel wat overgangsperikelen. ,,Je voert toch net even anders, waardoor de koeien moesten

wennen en de productie iets omlaag ging. Gelukkig was dat na een maand hersteld en draait het nu als

een tierelier. Storingen hebben we tot nu toe nauwelijks gehad; technisch werkt het allemaal super.’’



Voerrobot.jpg

Voerrobot



Gijs Winters in Breedenbroek (Gld.) runt samen met een parttime medewerker een melkveebedrijf met 130 Jersey-koeien. Hij noemt zichzelf een echte ‘koeien-man’, maar is ook behoorlijke verknocht aan de maïsteelt. ,,Met het aanrijden van de kuil help ik graag zelf mee. Dan zie ik wat er straks voor de koeien komt.’’ Afgelopen jaar testte hij voor het eerst het maïsras DKC 3323. De resultaten waren dermate goed dat hij dit jaar helemaal – met 22 hectare - overschakelt op dit ras. ,,De mooie resultaten in de praktijk hebben ons echt over de streep getrokken.’’


Gijs Winters beschikt over 70 hectare grond, waarvan ongeveer 22 hectare voor de maïsteelt is bestemd. Daarmee zit hij naar eigen zeggen ‘mooi royaal in het jasje’. Dat laatste vindt hij ook belangrijk, want met een aandeel van 50 procent in het rantsoen is maïs een belangrijk voercomponent binnen het bedrijf. Winters vertelt dat zetmeelrijke maïs - ‘liefst zo dicht mogelijk tegen de 400 gram per kg ds’ - goed past bij zijn Jersey-koeien. ,,Jersey’s zijn heel efficiënt in het omzetten en verwerken van geconcentreerd zetmeel. Ze doen het daardoor heel goed op zetmeelrijke maïs.’’


Luuk Hartemink en Gijs Winters.jpg

Gijs Winters (rechts) is melkveehouder in Breedenbroek (Gld.). Hij melkt ca. 130 Jersey-koeien. Het bedrijf heeft 70 ha grond ter beschikking, waarvan 42 ha voor grasland, 22 ha voor snijmaïs en 6 ha voor graanteelt. Luuk Hartemink (links) is teeltadviseur veehouderij bij Agrowin BV.


Fosfaat-fixerende grond


De grond waarop de maïs wordt geteeld is bont en varieert van zware klei tot puur zand - met allerlei variaties daar tussenin. Een gezamenlijke eigenschap is dat de gronden vanwege de aanwezigheid van oer – een ijzerhoudende laag in de bodem - relatief lang nat blijven, zowel in het voorjaar alsook in de herfst. ,,Dat betekent dat we in het voorjaar altijd haast hebben om de maïs erin te krijgen en in de herfst altijd haast hebben om de maïs eraf te krijgen’’, aldus Winters.

Door de oerlagen is een groot deel van de grond ook nog eens zeer fosfaat-fixerend (met zeer lage PAE-getallen), wat ook weer extra uitdagingen met zich meebrengt. Om de maïs goed tot ontwikkeling te laten komen is aanvoer van fosfaat via kunstmest een absolute noodzaak, zo weet hij uit ervaring. ,,Ik heb het eens een jaar zonder geprobeerd, maar dat pakte voor de maïs rampzalig uit. De opkomst was slecht, de maïs werd al bij een beetje stress pimpelpaars en de uiteindelijke opbrengst was minimaal 20 procent minder dan we gewend waren.’’



Schade door ritnaalden


Een ander probleem waar Winters steeds vaker mee te maken krijgt in maïs is schade door ritnaalden. Als oorzaak

wijst hij de breed ingezette grasachtige groenbemesters aan, waarop ritnaalden zich makkelijker kunnen vermeerderen. De veehouder probeert dit een halt toe te roepen door bladrammenas in plaats van Italiaans raaigras als groenbemester te zaaien. Hiermee wordt de vermeerdering van ritnaalden in ieder geval onderdrukt. Dit neemt volgens hem niet weg dat er steeds vaker een rijenbehandeling met een insecticide (samen met het zaaien) of een zaaizaadbehandeling nodig is om schade te voorkomen.

Hoewel hij positief is over de werking van deze middelen, maakt hij zich wel zorgen over houdbaarheid van deze manier van werken. ,,Op steeds meer percelen kunnen we eigenlijk niet meer zonder zaaizaad- of rijenbehandeling. Als dat weg zou vallen, dan kunnen we straks heel wat percelen schrappen voor de maïsteelt.’’



Zelf de kuil aanrijden


Bij de oogst van de maïs behoort Winters standaard tot de ‘vaste medewerkers’. ,,Uit liefhebberij, maar ook om te weten wat er aan voer binnenkomt en hoe we dat het beste in de kuil kunnen krijgen.’’ Het liefst kuilt hij alle maïs op één dagin één keer in. Daarbij gaat de maïs van de lichtere (zand) gronden met (vaak) een hoger drogestofgehalte onderin de kuil en wordt de wat groenere maïs van de klei daar bovenop gereden. ,,Gemiddeld hopen we daarmee zo rond de 38 procent drogestof uit te komen’’, zo geeft hij de strategie weer.

Om de kwaliteit te waarborgen - en ook omdat hij het mooi werk vindt - rijdt Winters meestal als tweede trekker mee

om de kuil vast te rijden. ,,Het hakselen gebeurt door een kameraad, die een klein loonbedrijf heeft. Omdat de aanvoersnelheid niet zo groot is, heb ik de tijd om samen met de loonwerker de kuil extra goed aan te rijden. Daarvan zie ik elk jaar weer de resultaten: de ruwvoerkwaliteit is eigenlijk altijdgoed, vooral omdat de kuil zo knettervast is aangereden.’’



Andere rassenkeuze


Voor wat betreft de rassenkeuze laat Winters zich graag adviseren door Luuk Hartemink van Agrowin - die ook bij

het gesprek aanwezig is. Beide mannen benadrukken dat goede cijfers voor drogestof-, zetmeel-, VEM-opbrengst en

plantverteerbaarheid wat hen betreft altijd voorop staat bij de rassenkeuze. ,,Maar daarnaast zie ik ook graag gezonde en lang groen blijvende planten met grote kolven op het land staan’’, zo geeft Winters zijn eigen ‘prioriteitenlijstje’ weer.

Een nieuwe ras dat volgens Hartemink heel goed aan deze wensen voldoet is DKC 3323. Om dat ‘op eigen grond te

zien en te ervaren’ heeft Winters er afgelopen jaar 2,5 hectare van ingezaaid. ,,En dat is eerlijk gezegd heel goed bevallen’’, zo geeft hij aan. ,,Dit ras heeft op al deze punten goed gepresteerd. En dat niet alleen op de lichtere gronden, maar ook op de zwaardere gronden.’’

Volgens Hartemink heeft DKC 3323 niet alleen bij Winters, maar ook elders op de (oostelijke) zandgronden een prima indruk achtergelaten. ,,Op ons eigen toetsingsveld in Markelo en ook bij diverse andere maïstelers sprong dit ras er echt positief uit, met name op het vlak van het stay-green-effect en droogteresistentie. Waar andere rassen soms al richting noodrijp gingen, stond DKC 3323 er nog behoorlijk groen bij. Vooral op de droge gronden in deze regio is dat echt een belangrijke plus’’, zo stelt de adviseur.




‘DE MOOIE RESULTATEN IN DE PRAKTIJK HEBBEN ONS OVER DE STREEP GETROKKEN’






Helemaal over op DKC 3323


Door de goede resultaten van afgelopen seizoen verwacht Hartemink dat DKC 3323 een fors groter aandeel zal krijgen in de regio. Niet alleen bij melkveehouders, maar ook bij loonwerkers - die bij verkoop op stam graag een mooi toonbare maïs willen hebben.

Bij Winters gaat het roer helemaal om: komend seizoen schaalt het bedrijf op van 2,5 naar 22 hectare DKC 3323. ,,En ja, dat is best een hele stap’’, zo wil de melkveehouder wel erkennen, ,,Vooral omdat we jarenlang met hetzelfde ras hebben gewerkt, waarvan we wisten wat we eraan hadden. Dat we nu toch een volledige omslag maken naar DKC 3323 zegt wel iets over het vertrouwen dat we in het ras hebben. Vooral de mooie resultaten in de praktijk hebben ons echt over de streep getrokken.’’