Welke varianten valse meeldauw spelen slatelers parten? En doen rasresistenties hun werk nog? In een internationaal samenwerkingsverband, houden bedrijven en instituten samen grip op de ziekteverwekker Bremia lactuca. Mathieu Pel, van Enza Zaden, en Johan Schut, van Rijk Zwaan zijn twee van de kartrekkers. ,,We vechten tegen dezelfde vijand.”

Binnen Europa wordt ieder jaar wel een nieuwe Bremia-fysio gevonden. Dat wil zeggen, een variant die zich duidelijk onderscheidt van zijn voorgangers. Vaak gaat het om een mutant van een bestaand fysio.
Concurrerende veredelaars die nauw met elkaar samenwerken. Dat zegt wat over de problematiek rond Bremia, zoals valse meeldauw in sla wordt genoemd, naar de ziekteverwekker Bremia lactuca. Via uitgekiende resistentiecombinaties proberen de veredelaars de waterschimmel steeds een stap voor te blijven.
‘Bremia is een super-divers organisme, dat zich razendsnel aanpast’
Om de juiste rassen op de juiste plek beschikbaar te hebben, is het belangrijk om goed zicht te houden op welke fysio’s van de ziekte in het veld, en in de kas, actief zijn. Sinds 1997 is dit de taak van de International Bremia Evaluation Board (IBEB). In dat jaar sloegen slaveredelaars en rassenregistratieautoriteiten in Europa de handen ineen, om monsters van de ziekte te verzamelen, te identificeren en nieuwe fysio’s een naam te geven. Op die manier wordt de ontwikkeling van de populaties nauwgezet gevolgd.,,We doen dat tegenwoordig op meerdere continenten”, zegt Johan Schut, breeding manager sla bij veredelaar Rijk Zwaan. Hij is voorzitter van de wereldwijde coördinatiewerkgroep en sinds de oprichting betrokken bij de IBEB. Zijn vakgenoot Mathieu Pel, plantenziektenkundige bij Enza Zaden, is de kartrekker voor IBEB-Europa. ,,IBEB-werkgroepen verschillen enigszins van opzet. In Noord-Amerika is de Bremia-situatie bijvoorbeeld net even anders dan in Europa. Er zijn andere fysio’s actief en in de VS vindt de aansturing plaats vanuit de Universiteit van Californië. Maar het idee is hetzelfde en we vechten allemaal tegen dezelfde vijand. Bremia is een super-divers organisme, dat zich razendsnel aanpast. Dat is een enorme uitdaging voor veredelaars. Vandaar dat het logisch is om samen op te trekken”, aldus Pel. Recent is er ook in Brazilië een samenwerkingsverband gevormd.

Matthieu Pel (Enza Zaden): ,,Bremia is een super-divers organisme, dat zich razendsnel aanpast. Dat is een enorme uitdaging voor veredelaars.’’
Nieuwe fysio’s in Bremia
Hoe gaat de screening van Bremia in zijn werk? ,,Telers en adviseurs spelen hier een belangrijke rol in”, legt Schut uit. ,,Zij lopen dagelijks door de gewassen en geven een seintje als ze een aantasting vinden en de situatie niet vertrouwen. Meestal kloppen ze dan aan bij de partij die het zaad heeft geleverd en sturen vervolgens een monster in. De zaadbedrijven onderzoeken het aangetaste materiaal in hun laboratorium en bepalen daar om welke variant het gaat. Dat gaat om honderden monsters per jaar.”
In eerste instantie wordt er getoetst op de bestaande, bekende varianten. In Europa zijn dat fysio’s die aangeduid worden met de code 29 t/m 41. De samenstelling van de groep isolaten verschuift. Er komen nieuwe bij en er vallen isolaten af. In het jaar 2025 werd 41EU het meest gevonden, goed voor 40 procent van de monsters, gevolgd door 38EU, 39EU en 40EU. Naast deze officiële fysio’s, worden ook afwijkende typen zo goed mogelijk in beeld gebracht. Twee keer per jaar vindt er afstemming plaats binnen de IBEB en nemen de deelnemende partijen de resultaten met elkaar door. Daarbij kijken ze ook of er nieuwe varianten te onderscheiden zijn en of die belangrijk genoeg zijn voor een officiële nummeraanduiding. In 2025 was dat niet het geval. ,,Gemiddeld genomen vinden we in Europa ieder jaar wel een nieuwe variant. Dat wil zeggen, een variant die zich duidelijk onderscheidt van zijn voorgangers, die we op meerdere plaatsen terugzien en die voor problemen zorgt in de grotere rassen. Vaak gaat het om een mutant van een bestaand fysio.”
Als de variant standhoudt en zich duidelijk verder opbouwt, dan krijgt hij een volgnummer. Het wachten is kortom op nummer 42. Oudere varianten, die bijna niet meer worden gevonden, worden op den duur van de lijst geschrapt. Die zijn niet langer relevant voor telers en veredelaars. Sinds enkele jaren wordt er bijvoorbeeld niet meer standaard getoetst op de nummers 16 t/m 28.

Johan Schut (Rijk Zwaan):,, Als we in de eerste plantingen een bepaald fysio aantreffen, dan kan het raadzaam zijn om in latere teeltrondes andere rassen te gebruiken.’’
Risico’s spreiden met andere slarassen
Soms kunnen telers al in het lopende groeiseizoen inspelen op de situatie, door te schuiven met rassen. Schut: ,,Als we in de eerste plantingen een bepaald fysio aantreffen, dan kan het raadzaam zijn om in latere teeltrondes andere rassen te gebruiken. Dat lukt niet altijd, maar soms kan er in overleg met de zaadleverancier en plantenkweker wat worden geschoven. Daarmee is het ook voor de teler direct bruikbare informatie.”
Voor veredelaars zijn de verschuivingen in de Bremia-populaties belangrijke handvatten om keuzes te maken in het rassenaanbod. ,,Je wilt weten wanneer een resistentie is doorbroken, of wanneer een combinatie van resistentiegenen niet langer de gewenste bescherming biedt.” Ook voor het ontwikkelen van nieuwe rassen is de informatie cruciaal. Welke genen breng je bij elkaar? De strategie van de veredelaars is enerzijds gericht op het inkruisen van nieuwe resistentiegenen. In de genenbank van Wageningen UR ligt materiaal opgeslagen van wilde verwanten van sla, die worden getoetst op resistenties tegen nieuwe varianten van de ziekteverwekker. Daarnaast zoeken commerciële veredelaars zelf in het wild naar nieuwe resistenties.
Een ander deel van de strategie is het zo goed mogelijk stapelen van resistenties. Helemaal exacte wetenschap is dat niet, daarvoor is de ziekte te grillig. ,,Het draait dan ook vooral om risicospreiding”, verwoordt Pel de situatie. ,,Dat geldt in Amerika zelfs sterker dan hier, omdat de populatie daar nog meer variatie kent.”
Bedrijfshygiëne als onderdeel van Integrated Crop Management
Voor beide specialisten is het klip en klaar dat de monitoring cruciaal is voor een zo sterk mogelijk rassenaanbod. Ook vraagt de IBEB aandacht voor de juiste inzet van de rassen en ondersteunt zij daarbij de ICM-aanpak (Integrated Crop Management). ,,Die begint met bedrijfshygiëne”, zegt Schut. ,,Nieuwe isolaten kunnen ontstaan door seksuele reproductie, maar ook door selectie tijdens de teelt. Wat belangrijk is, is om gewasresten goed onder te werken, omdat de ziekteverwekker daarop kan overleven. Verder is een goede monitoring en tijdig een bespuiting uitvoeren van belang. Als de teeltrondes kort zijn en er wordt op tijd geoogst, dan heeft de ziekte soms niet de tijd om zich te manifesteren. Maar blijft het gewas langer staan, of zijn de omstandigheden op een andere manier gunstig voor Bremia, dan moet je oppassen.” Resistente rassen kunnen volgens hen veel opvangen. Tegelijkertijd is het bij hoge infectiekansen belangrijk om in te grijpen, om zowel de huidige oogst als de rasresistentie te beschermen.
De experts wijzen er verder op dat er een relatie is met andere ziekten en plagen. Goed voorbeeld is de verschuiving in rassen die momenteel plaatsvindt in verband met de luizenproblematiek. ,,Zowel Enza als Rijk Zwaan heeft rassen op de markt met een luizenresistentie. Die zijn gezien de middelensituatie heel erg welkom, maar hebben op dit moment nog niet hetzelfde beschermingsniveau tegen bremia als andere rassen. Dat is iets om in de gaten te houden.”
Het ultieme doel is uiteraard om ook deze resistentie, net als fusariumresistenties, zoveel mogelijk te koppelen aan een sterke combinatie van bremiaresistenties.
‘Gemiddeld genomen vinden we in Europa ieder jaar wel een nieuwe variant’
Biodiversiteit binnen de slafamilie
De komende jaren zal de zoektocht naar nieuwe resistentiegenen en sterkere rassen dan ook volop doorgaan. ,,Gelukkig is de slafamilie een zeer diverse familie en vinden we nog altijd nieuwe resistentiegenen in de zoektocht naar antwoorden op ziekten en plagen. Ook weten we die steeds sneller bij elkaar te brengen. We begrijpen ook steeds beter welke genen er betrokken zijn bij de algehele plantgezondheid, waardoor we ook gerichter kunnen werken aan sterkere rassen. Het zijn eigenschappen die in de natuur zitten. Dat laat ook meteen weer het belang van biodiversiteit zien. Dat is geen vaag begrip. We hebben de variatie in onze natuur hard nodig.”
De wil om samen te werken, is gelukkig nog altijd groot, constateren Pel en Schut. ,,De oplopende conflicten in de wereld, en het plotseling schrappen van onderzoek, baren misschien wel eens zorgen. Toch zien we ook nieuwe initiatieven ontstaan. Verschillende landen weten elkaar te vinden en er draait inmiddels een soortgelijk initiatief rond fusarium in sla. Het bewijst dat de Bremia-aanpak werkt.”