Varenrouwmug is een toenemend probleem in de opkweek van aardbeien trayplanten. Toevoeging van BIO 1020 aan substraat kan de plaagdruk en schade flink verminderen, zo blijkt uit onderzoek bij Cultus Crop Research in Melderslo (Lb.). Projectmanager Chiel van der Voort licht de resultaten toe.

Chiel van der Voort is projectmanager glastuinbouw en sierteelt bij Cultus Crop Research in Melderslo (Lb.).
Hoe komt het dat varenrouwmug steeds vaker opduikt in stekmateriaal en jonge aardbeienplanten? Chiel van der Voort vindt het lastig om deze vraag eenduidig te beantwoorden. ,,Waarschijnlijk speelt het wegvallen van een aantal breedwerkende insecticiden, waarmee met name de volwassen varenrouwmug automatisch werd meegepakt, hierbij een rol’’, zegt hij. Daarnaast is de detectie gewoon lastig. ,,In het gewas kun je de volwassen muggen nog wel vinden, maar het zijn vooral de larven die schade veroorzaken. Om die larven in de grond op te sporen, heb je óf hele goede ogen óf een loep nodig.’’
Verder leeft vanuit de praktijk ook de gedachte dat het toegenomen gebruik van organische meststoffen wel eens extra aantrekkelijk zou kunnen zijn voor de varenrouwmug. ,,Organisch materiaal heeft immers een aantrekkende kracht op de vliegjes; hun larven kunnen zich daar prima mee voeden.’’
Feit is dat de problemen met varenrouwmug toenemen en dat wat extra aandacht - en ook kennisoverdracht - zeker op z’n plaats is. ,,Volwassen muggen houden van een enigszins vochtige omgeving waar ze eitjes af kunnen zetten, liefst dicht bij de wortels en gevoelig plantmateriaal’’, zo weet Van der Voort. ,,Daar vreten de larven het nog zachte wortel- en stengelweefsel aan. Die wondjes putten de plant uit en kunnen zo voor groeiremming en capaciteitsverlies zorgen. Bovendien zijn de wondjes weer een invalspoort voor allerlei schimmelziekten, zoals bijvoorbeeld Phytophthora.’’
Alternatief voor aaltjes
Een gangbare methode om de larven van de varenrouwmug te bestrijden is de inzet van aaltjes (Steinernema feltiae). Die toepassing werkt doorgaans goed, maar is wel arbeidsintensief voor de teler, vooral wanneer de aaltjes meerdere keren per teelt toegepast moet worden.
Een goed alternatief is BIO 1020, een natuurlijk insecticide op basis van de schimmel Metarhizium anisopliae (stam F52). Deze schimmel, die geënt is op rijstkorrels, kan gemakkelijk door de substraatleverancier worden doorgemengd aan het substraat. In het substraat gaat de schimmel de strijd aan met een aantal schadelijke bodeminsecten, inclusief de larven van varenrouwmug.
Volgens Van der Voort wordt BIO 1020 in andere teelten – zoals de boomteelt – al gezien als een standaardtoepassing tegen bodeminsecten, zoals bijvoorbeeld ook de larven van de taxuskever die in aardbei tot problemen kunnen leiden. ,,We weten dus al best veel van het product en dat geeft uiteraard vertrouwen. Daarnaast is het ook nog eens een biologisch middel en dat is zeker een pluspunt in de richting van een toekomstbestendige aardbeienteelt.’’
BIO 1020 in onderzoek
Om de effectiviteit van BIO 1020 verder te onderzoeken (en mogelijk de efficiëntie van het product te vergroten), is afgelopen jaar bij Cultus een proef ingezet in aardbeienstek in de kas. Hierbij zijn zes verschillende objecten aangelegd (6 x 4 veldjes) in praktijkstek, waarbij uitgegaan is van natuurlijke invlieg van varenrouwmug.
Naast een onbehandelde referentie en een (nog) experimenteel middel, zijn er vier objecten met BIO 1020 behandeld. Behalve de standaardtoepassing van 0,5 kg BIO 1020 per m³ substraat, zijn dat twee toepassingen waarbij er extra, onbehandelde rijst – 0,5 en 1 kg per m³ - aan de standaarddosering van BIO 1020 is toegevoegd en na mixing is doorgemengd. Idee hierachter is dat de schimmelsporen op de behandelde rijstkorrels (van BIO 1020) zich ook verplaatsen naar de onbehandelde rijstkorrels. Daardoor zou de kans dat de larven van de varenrouwmug in aanraking komen met de dodelijke schimmel groter moeten worden.
Als extra object is BIO 1020 ook nog gecombineerd met een organische meststof in mini-granulaatvorm. ,,Dit product wordt in de praktijk toch al vaak doorgemengd. Mogelijk kunnen we de efficiëntie van BIO 1020 ook daarmee nog wat vergroten’’, aldus Van der Voort.
Proefresultaten
Uit de proefresultaten blijkt dat zowel het toevoegen van extra, onbehandelde rijst alsook de combinatie met het mini-granulaat een betere bestrijding gaf van varenrouwmuglarven (= minder levende larven per veldje). Hoewel deze resultaten significant zijn, benadrukt Van der Voort dat ze slechts op één proefjaar berusten. ,,Je moet het daarom vooral opvatten als signaal dat de werking van BIO 1020 nog verder versterkt kan worden.’’
Liever benadrukt hij nog een keer dat BIO 1020 gewoon een prima werking heeft op de larven van de varenrouwmug, ,,Want ook dát komt duidelijk naar voren in deze proef: BIO 1020 verlaagt de plaagdruk waardoor de kans op schade door larven kleiner wordt. Dat is misschien wel de belangrijkste boodschap van het onderzoek.’’
Schema’s tegen Phytophthora nader onderzocht
Welke behandelschema’s zijn er mogelijk tegen Phytophthora bij de opkweek van aardbeien? Hoe positioneer je de beschikbare middelen? En welke schema’s presteren het beste? Om meer duidelijk te krijgen rondom dit soort vragen heeft Bayer in samenwerking met Cultus een proef opgezet waarbij 16 verschillende fungicidenschema’s met elkaar zijn vergeleken.
Voor de proef zijn begin juli 2025 stekken van een gemiddeld gevoelig ras weggestoken in 16-gaats aardbei-trays, buiten op het trayveld. De week erna zijn deze kunstmatig geïnfecteerd met de Phytophthora-schimmel (Phytophthora cactorum). Kort daarna zijn de planten aangegoten, waarna er in de periode tot half september nog drie aanvullende spuittoepassingen zijn uitgevoerd met een interval van 28 dagen.
De eerste beoordeling op gewasstand en beworteling vond plaats in oktober, maar toen waren er nog geen duidelijke verschillen tussen de objecten te zien. Vervolgens zijn alle objecten in de koelcel gezet (op minus 1,8 °C) en begin maart weer uitgeplant en netjes bijgehouden.
Beoordeling van proef
Half mei zijn de planten per plot opnieuw beoordeeld op aantasting van Phytophthora, zowel bovengronds als binnen in de plant na aansnijden van het rhizoom.
In de onbehandelde (wel geïnfecteerde) objecten lieten gemiddeld 55 procent van de planten bovengrondse ziektesymptomen zien, met name roodverkleuring en verwelking. In de objecten waarin Previcur Energy en Aliette zijn toegepast (niet in combinatie) was het percentage planten met bovengrondse symptomen minder dan in het onbehandelde object (gem. 26%).
In het rhizoom, waar de infectie leidt tot verstopping van de plantvaten, was in het onbehandelde object gemiddeld 40% van de planten aangetast. Een dompelbehandeling van het stek met Serenade SC voorafgaand aan het wegsteken leek in sommige objecten tot een snellere weggroei van het gewas te resulteren (visuele beoordeling in 2025). Tijdens de looptijd van deze proef is verder nog geen eenduidig aantoonbaar positief effect gescoord met de gecombineerde behandelingen van Serenade SC met Aliette, dan wel met Previcur Energy.
Dit betreft echter maar één proef. Om een goede uitspraak te doen over de rol van Serenade in de beheersing van Phytophthora, is meer onderzoek nodig.